Alphabet

 

 

A

Alef = rund (Kanašnitisch) 1500 v.Chr./Fenicische draaiden hem een kwartslag/de Grieken draaiden hem nog een slag en noemden hem Alfa

 

B

Beth = huis, schuilplaats, Egyptisch hiŽroglief. Gestileerde plattegrond van een huis / FeniciŽrs veranderden hem een beetje. De Grieken noemden hem Beta/Rom: Bť

 

C

van Gimel, kop en hals van de dromedaris (FeniciŽrs). Hij klonk als een zachte k. De Grieken, die het Fenicische alfabet gebruikten, maakten er een hoekige letter van en noemden hem Gamma. De Romeinen maakten hem rond.

 

D

hand 'deret' van Egyptische hiŽrogliefen

Voor FeniciŽrs, die de Egyptische tekens overnamen zonder precies de betekenis te kennen, leek het meer op de ingang van een tent ('dalet'). De Grieken, die op hun beurt de Fenicische tekens overnamen, noemden hem 'Delta'.

 

E

begon als H. Waarschijnlijk een Egyptische hiŽroglief voor een roepend of biddend mens. FeniciŽrs: medeklinker hť; draaien. De H-klank was een beetje moeilijk voor de Grieken. Zij noemden hem Epsilon en maakten er de klinker 'Ť' van.

 

F

Van slang, de gehoornde slang Cerastes, slangegod. FeniciŽrs zagen het als een haak waarmee ze tenten vastzetten en noemden hem 'Waw', dat klonk als 'waf'. Grieken, die rond 1200 v. Chr. het Fenicische alfabet gingen gebruiken, splitsten de 'waw'op in twee letters: een voor de 'W'-klank, de andere voor de 'V'- of 'F'-klank. De vele Griekse stad-staten hadden zo hun eigen uitspraak en in deze verwarring is de F-vorm rond 400 v.Chr uit het Griekse alfabet verdwenen. De Etrusken en Romeinen gebruikten hem wel.

 

G

Van Gimel (zie C) Romeinen: zachte 'K'. De C werd de harde K. Voor het eerst in 312 na Chr! De G nam de plaats in van de Z, die toen nog op de zevende plaats stond. De Romeinen konden de Z niet gebruiken en verbanden hem naar de laatste plaats.

 

H

is van Fenicische oorsprong. Hij heette daar 'Chet' en was het pictogram voor 'hek'. De Grieken kantelden hem; werd ook gebruikt als de klinker 'Ť'. Soms was er alleen ťťn dwarsstreepje. De Romeinen namen dit onveranderd over.

 

I

stamt af van het Egyptische hiŽroglief voor hand ('jodh') (zie ook D). De FeniciŽrs veranderden dit teken langzamerhand in een recht streepje. Omdat het Fenicisch alleen medeklinkers kende werd de I uitegesproken als 'J'. Griekan: rechte vorm. Klinker Iota.

 

J

is de tweede I. Samen 'ie'. Om de I of de J aan te geven plaatsten ze er een puntje boven. (Middeleeuwen)

 

K

de open hank. Fenisisch: handpalm = gaf. Grieken kantelen en omdraaiing van de leesrichting. Romeinen hoekig, werd K.

 

L

Ploeg. Fenisisch: 'Lamedh'.

 

 

M

Water, golfjes

 

 

N

Waterslang. FeniciŽrs: teken voor vis.

 

 

O

Egyptenaren: van hiŽroglief 'ajin', oog.

 

 

P

Egyptenaren: = mond of praten

 

 

Q

FeniciŽrs: 'Kof' knoop in een touw, of aap met staartje. Grieken gebruikten hem niet, want de 'Kappa'.

 

R

Egyptenaren: 'Resj', hoofd. FeniciŽrs: omgekeerde P. Grieken 'Rho' en draaiden hem om, omdat ze daar de andere kant op schreven. Om hem niet met P te verwarren, gaven de Romeinen de R zijn schuine poot.

 

S

Een paar ondertanden. Egyptenaren: 'Shin'. Grieken kwartslag draaien: 'Sigma'. Romeinen: rond mooier: S.

 

T

Kruisje

 

 

UVW

 

De stamvader van de V is eigenlijk de F. FeniciŽrs als de 'waw' het teken voor de tentharing. De Grieken deelden hem op in twee letters, de V en de F. De Grieken gebruikten de F eigenlijk niet. De andere vorm, de Y (upsilon) werd zowel voor de V als de W gebruikt. De Etrusken en de Romeinen haalden het staartje er af en de V bleef over.

 

W

Is de jongste letter. Twee V's, Ďdouble

 

 

X

Een Griekse uitvinding voor de ks-klank. Dat werd de 'Ksi'.

 

 

Y

Stamvader: de Fenicische 'Waw', tentharing.

 

 

Z

Een gestileerd steekwapen. FeniciŽrs 'Zayin'. Grieks 'DzŤta'. De Romeinen, die het Griekse alfabet overnamen, hadden geen Z-klanken in hun taal en verbanden hem naar de laatste plaats.